Job Hansen

Hansens uitgesproken belangstelling voor vernieuwende experimenten binnen de Groninger schilderkunst in de periode 1918-1927, bezorgde hem de uitnodiging de tekst te schrijven voor een catalogus van De Ploegtentoonstelling van januari 1923. Steenbruggen (1997, 14) typeert de tekst als ‘bondig, expressionistisch-poëtisch’. In oktober 1923 werd Hansen lid van De Ploeg. In 1925 bedankte Hansen voor het lidmaatschap uit onvrede met een tekst van Herman Poort, die in dat jaar voorzitter van De Ploeg was geworden. Hansen bediende zich van sterk met benzine verdunde olieverven en een palet van atmosferische kleurschakeringen. Bijna onmiddellijk ontwikkelde hij een visie en werkwijze die zijn werk sterk meer deed onderscheiden van dat van de andere Ploegleden. Onder elke verfstreek deed het vervliegen van de benzine, de verfpigmenten uitvloeien in transparante wolken van kleur. Vanwege de sterke overeenkomsten met aquarel werd deze techniek ‘benzinerellen’ genoemd. Hansen hanteerde deze benzinereltechniek vooral in de periode 1929-1933. Daarna zou hij haar in combinatie met onverdunde olieverf gebruiken. In 1934 werd Hansen opnieuw lid, dit keer als kunstschilder. Schilderde Hansen aanvankelijk in de vrije natuur, nadat hij in 1933 met zijn gezin verhuisde naar de Grachtstraat en werkte hij steeds vaker in atelier.

Paterswoldse meer

  • olieverf op paneel
  • verso 20-8-1932 collectie Bijenkorf